Twee verhalen uit het verre verleden van Rundt
1 HET BETOVERDE DORP
Een rare snuiter in de dorpsherberg
Lang geleden was Rundt maar een klein dorpje, met een kerk in het midden en een kerkje opzij, een winkeltje waar je alles kon kopen, twee herbergen, waar je alles kon drinken , een grote molen en voor de rest alleen maar boerderijen. Links en rechts van het dorp lag er een kasteel: het kasteel van Zevenbergen en het kasteel van Doggenhout. In die twee kastelen woonden de rijkste mensen van het dorp..
De mensen leefden er rustig en gelukkig. De boeren verbouwden graan, molken hun koeien en teelden in hun rijke boomgaarden lekkere appels, peren en kersen. De bakker van het winkeltje verkocht het brood, het fruit en de melk van de boeren. Er gebeurde nooit iets maar niemand had iets te kort.
Nu eens was de rijkaard van het ene Kasteel burgemeester van het dorp, daarna was het weer aan de rijkaard van het andere kasteel. En zo ging het leven zijn gangetje. Er was zelden ruzie en als dat al eens gebeurde dan was dat op de jaarlijkse kermis als er wat te veel was gedronken en sommige jongens probeerden sommige meisjes tegen hun zin te versieren.
Maar nu zo een kleine 200 jaar geleden, gebeurde er iets dat de rust in het zo vredige dorpje verstoorde. Dat was toen de baron van Zevenbergen burgemeester was, en de graaf van Doggenhout vond dat het opnieuw zijn beurt was om burgervader te worden. Meestal was dat geen probleem, want het waren eigenlijk geen ruziestokers en dus gunden ze elkaar het burgemeesterschap. De graaf van Doggenhout die vond dat Rundt met zijn tijd moest meegaan, zei dat het hoog tijd werd dat er eens iets zou te beleven zijn beleven zijn in het dorp. Hij begon zich meer en meer te laten zien in de twee herbergen van het dorp om met de aanwezige boeren te praten, die na een zware dag op het veld hun kelen kwamen smeren met het plaatselijke blonde bier.
“Het wordt tijd dat hier wat meer leven in de brouwerij komt” vertelde graaf Doggenhout. “Jullie werken dag in, dag uit, het hele jaar door, maar eigenlijk worden jullie er niet rijker van. We moeten vooruit: meer grond ontginnen, meer graan, meer fruit, meer melk en dat dan gaan verkopen in de buurdorpen en in de koekenstad.”
“Jamaar”, zei een oude en wijze boer “dan moeten we ook veel harder werken. Nu kunnen we ’s avonds nog iets drinken hier in de herberg”. De andere boeren knikten instemmend: ze vonden dat ze genoeg hadden en dat ze er ook genoeg voor moesten werken. “Nee, laat alles maar bij het oude”, zag je ze denken.
De graaf van Doggenhout zuchtte diep: ga met zo een bende luierikken naar de oorlog. Hij probeerde nog aan te dringen, maar zag in dat Rundt altijd het rustige Rundt zou blijven.
Maar nu moest het lukken dat op het ogenblik dat hij met de boeren aan het discussiëren was, er een vreemde man in de herberg, zat mee te luisteren. Het was iemand die ze nog nooit gezien hadden en die even daarvoor was binnengekomen en met een biertje aan een tafeltje in een hoekje was gaan zitten. Hij had een pet over zijn hoofd getrokken, zodat je nauwelijks kon zien hoe hij er uitzag. Alleen was het duidelijk dat hij een grote haakneus had.
Toen de graaf enigszins ontgoocheld terug naar huis ging, stond de vreemde snuiter op, gooide een paar centen op de toog en liep snel achter graaf van Doggenhout aan. In het donker voor de kerk, kon hij hem te pakken krijgen.
“Ik heb u bezig gehoord tegen die boeren. Bent u de burgemeester van dit dorp?” vroeg hij aan Van Doggenhout.
“Nee, dat is baron van Zevenbergen, maar nu is het opnieuw mijn beurt. Maar ze willen precies niet naar me luisteren”
“Ik weet hoe ik u kan helpen” zei de vreemde man. “Als u wil, dan wordt u de nieuwe burgemeester en zal er veel geld worden verdiend in Rundt. Maar dat wil niet zeggen dat de boeren van dat geld gaan kunnen genieten”.
Graaf van Doggenhout, die de burgemeestersjerp al rond zijn dikke buik zag hangen, vond het maar een rare snuiter, maar was wel geïnteresseerd.
Betovering
De rare snuiter werd op het kasteel uitgenodigd, waar hij zich voorstelde als Azimut, handelsreiziger in niet vervulde dromen.
“Dat is een raar beroep” zei de graaf.
“De mensen weten niet wat ze moeten dromen. Ze moeten dromen van geld verdienen en rijk worden. Dan zullen ze harder werken. Maar het moeten dromen blijven. En zoals je weet zijn alle dromen bedrog.
“Maar hoe kan mij dat helpen om snel burgemeester te worden” vroeg de graaf.
“Ik kom met mijn mensen naar het dorp en strooi dromenpoeder rond. Ze zullen dan wel helemaal anders tegen het leven aankijken, geloof me vrij. En beste graaf, jij zal er zeker beter van worden. De boeren gaan jou betalen, je wordt nog rijker en het kan niet anders of je zal ook snel weer burgemeester worden”.
“Wat moet ik daarvoor betalen?” vroeg de graaf, want hij dacht zeker niet dat die handelsreiziger in dromen gratis en voor niks zou werken.
“De ziel van de mensen van het dorp is mij voldoende” zei Azimut.
Wat we nog niet weten is dat die zogenaamde handelsreiziger natuurlijk een kwade tovenaar was, die op zoek was naar onschuldige zielen om zijn zwarte kunsten op te kunnen botvieren.
Hij haalde een papier uit zijn tas, en legde dat voor de neus van de graaf: verkoopcontract: een betovering van het dorp in ruil voor de ziel van de brave mensen van het dorp. En de graaf ondertekende dat papier snel en eigenlijk zonder na te denken.
De volgende dagen gebeurde er vanalles. Een koets vol vreemde mannen, kwam op het dorpsplein voor de kerk aan. Zij stapten uit, en gingen eerst naar de twee herbergen. Ze hadden zakjes bij met een goudkleurig poeder. Dat was het poeder dat de mensen aan het dromen zou zetten, dromen van veel geld en rijkdom, maar valse dromen die niet zouden uitkomen.
Ze strooiden het poeder rond en de boeren in de herbergen kregen plots een wazige blik in de ogen. "Snel we moeten terug aan het werk" werd er geroepen. "Geef ons ook van dat poeder, we moeten naar de akkers, de weiden en de boomgaarden en vrouw en kinderen moeten mee"
En zo gebeurde het dat alle boerderijen, met iedereen die er woonde werden besmet door het toverpoeder. Vanaf die dag in de lente, een kleine tweehonderd jaar geleden, was het dorp betoverd door de kwade tovenaar. Er werd alleen nog maar gewerkt, de herbergen bleven leeg, de kermis ging niet meer door en de kerkjes bleven op zondag leeg.
Al het graan dat op de velden groeide, de melk die de koeien gaven en het fruit uit de boomgaarden werd door de helpers van Azimut opgehaald en de boeren stonden het gedwee af. Ze mochten alleen nog maar een klein deel houden, zodat ze zelf en hun familie niet zouden omkomen van de honger. Maar in plaats van rijker te worden, werden ze door hun harde werken alleen maar armer. De graaf van Doggenhout kreeg zijn deel van de opbrengst en toen hij liet verkondigen dat hij burgemeester zou worden, was er niemand die kon protesteren.
De witte Saga
Waar ze alles ondertussen met lede ogen aanzagen was in het kasteel van Zevenbergen. De baron had op een aanplakbord in het dorp moeten lezen dat hij niet langer burgemeester was, en dat nu graaf Van Doggenhout het roer in handen had.
Hij zag dat de mensen van het dorp heel raar deden. Ze liepen met norse gezichten vermoeid rond. De twee herbergen waren leeg. Niemand zei goeiedag tegen elkaar. Iedereen was gehaast. “Uit de weg, we moeten werken!” hoorde hij roepen.
Enkele dagen nadat hij had vernomen dat hij niet langer burgemeester was, kwam er ’s avonds laat iemand aankloppen aan de kasteelpoort van Zevenbergen. “Baron, Baron, doe open, je moet ons helpen” Voor de poort stond een kleine dikke boer, die hij meteen herkende als boer Pagadder, die in het dorp bekend stond als iemand die er altijd bij was als er moest gefeest worden. Niet de meest werkzuchtige boer, maar in elk geval wel de leukste en gezelligste.
Baron Van Zevenbergen liet hem binnen en ging met hem in de grote zaal bij het haardvuur zitten.
“Wat is er toch aan de hand in het dorp?” vroeg hij.
“Ze zijn allemaal betoverd door de kwade tovenaar Azimut en zijn trawanten” vertelde Pagadder. Een paar dagen geleden zijn ze begonnen overal goudkleurig poeder rond te strooien, en iedereen begon er raar van te doen. Ze denken alleen nog maar aan werken en wat meer is, ze brengen alles wat ze van het veld halen naar graaf van Doggenhout en houden zelf nauwelijks iets over.
“Maar hoe komt het dat jij niet betoverd bent?” vroeg de baron.
“Wel dat komt zo: ik lag juist met een zware verkoudheid in bed en kon niet door mijn neus ademen, zodat ik het poeder niet heb opgesnoven. Ik ben dan maar zelf op onderzoek getrokken en heb gezien wat Azimut, met medeweten van die lekkere nieuwe burgemeester van ons heeft uitgestoken. Wat kunnen we eraan doen?”
De baron trok een diepe frons op zijn voorhoofd. “Tja “ zei hij “tegen kwade tovenaars helpt alleen maar witte magie. Degene die ons kan helpen is Azénor, de witte Saga, die midden in bos van Zevenbergen woont.
Een witte Saga is een goede wijze heks. Eigenlijk geen heks, maar een wijze vrouw die zwarte tovenarij kan wegtoveren. Maar die leven ook nogal afgezonderd en dus moet je even zoeken voordat je ze gevonden hebt. Baron van Zevenbergen kende haar heel goed en eigenlijk woonde ze in een huisje dat midden op zijn domein lag.
Het huisje waarin we nu zitten was vroeger het huisje van Azénor. En als je heel stil bent, hoor je haar nog in het lied dat het haardvuur zingt.
“Kom, we gaan haar vannacht nog opzoeken, en jij Pagadder, jij gaat mee”.
Zo gezegd zo gedaan. De baron haalde een paard en een ezel uit zijn stallen en samen reden ze het bos is, langs de donkere paadjes, waarlangs wij hier gewandeld hebben. En ze moesten inderdaad lang zoeken vooraleer ze het huisje van de saga hadden gevonden.
Je moet wel voorzichtig zijn als je ’s nachts een witte Saga gaat opzoeken. Als ze juist in bed ligt te slapen, dan zou ze wel eens kunnen wakkerschrikken en je met een toverspreuk in een kikker of een ander klein bosdiertje veranderen. Toen ze dus bij het huisje waren aangekomen klopte de baron dan ook voorzichtig op de deur en fluisterde “Azénor, ben je daar?”
“Wie is daar?” hoorden ze een slaperig stemmetje vanuit het huisje.
“Baron van Zevenbergen en boer Pagadder” fluisterde de baron. “We hebben je hulp nodig!”
Ze hoorden hoe het slot van de deur werd weggeschoven en Azénor deed open gekleed in een lang en kleurig lappenkleed, met haar lange rode haren wild om haar hoofd (want ze kwam juist uit bed). “Kom binnen, kom binnen, blijf daar niet in de regen staan. Maar wel eerst jullie voeten vegen, want ik heb vandaag juist schoongemaakt”.
“We hebben een groot probleem in het dorp Azénor” begon de baron te vertellen, toen ze rond de tafel zaten en het haardvuur terug was opgepookt.
De baron en pagadder vertelden om beurten wat er was gebeurd en Azénor keek eerst bedenkelijk, maar toen begon ze te glimlachen.
“Verdorie is die oude schurk van een Azimut weer in het land? We zullen hem eens een lesje leren”.
De elfen komen ter hulp
De baron en Pagadder vertrokken terug naar het kasteel van Zevenbergen, nadat ze Azénor hadden aangeboden om mee te rijden op het paard of de ezel. “Doe geen moeite” had ze gezegd, ik geraak er vanzelf wel. Groot was dan ook hun verbazing toen ze Azénor al voor de kasteelpoort zagen staan wachten. Ja, dat is natuurlijk heksenmagie, want ze was met haar gebruikelijke vervoermiddel gekomen, de oude bezem, die ze in haar hand hield.
Ze vertelde dat ze het niet alleen zou kunnen oplossen maar dat ze de hulp van de elfen uit het Muizenbos nodig had om de betovering te verbreken. Ze stak haar bezem in de lucht en van alle kanten kwamen kraaien aangevlogen die in een kring rond haar kwamen te zitten: “waarde heren en dames van de zwarte vlucht, wil de goedheid hebben om naar het Muizenbos te vliegen en de elfen te verwittigen dat ze naar het kasteel van Zevenbergen moeten komen. “
De kraaien vlogen uit en toen was het even wachten, maar er kwamen vanuit de richting van het muizenbos allemaal vlammetjes aanwaaien en vlak voor het kasteel veranderde elk lichtje in een engelachtig wezen, een elf dus. Elfen leven doorgaans diep in de bossen en ze bezitten grote wijsheid en ze zijn meestal goedaardig en helpen de mens, wanneer het nodig is.
“Tegen de betovering van het goudkleurige poeder helpt alleen de juiste toverspreuk. We moeten nog deze nacht van huis tot huis gaan en de spreuk uitspreken, en dan zal iedereen uit zijn verdwazing ontwaken en het leven weer normaal worden. Elfen: leer deze spreuk vanbuiten en vlieg alle huizen binnen langs de schoorsteen en fluister het in het oor van iedereen die ligt te slapen”
De toverspreuk was:
Solanum nigrum, Echium vulgare
Doe jullie werk
Wek ze uit de schone schijn,
Zoals het eens was zal het weer zijn
En zo gebeurde het, de elfen veranderden zich weer in vlammetjes, drongen alle boerderijen binnen langs de schoorsteen en fluisterden de spreuk in het oor van de doodvermoeide slapende boeren, boerinnen, hun kinderen en ook, voor alle zekerheid van de honden en katten.
Tegen de ochtend hadden ze hun werk gedaan. Het dorp ontwaakte, iedereen rekte zich uit, keek verbaasd rond en had het gevoel geen zin te hebben om aan het werk te gaan. Ze staken hun neus buiten en spraken elkaar aan “Wat is er toch gebeurd? laat ons naar het dorpsplein gaan!”
Daar stonden Boer Pagadder, baron van Zevenbergen en Azénor de dorpsbewoners ondertussen op te wachten. Toen het plein al aardig was volgestroomd sprak baron van Zevenbergen de mensen toe:
“Jullie waren allemaal betoverd door het goudkleurige poeder van de kwade tovenaar Azimut, waardoor jullie alleen nog maar konden denken aan werken en dat allemaal voor de portemonee van Azimut en de nieuwe burgemeester, graaf van Doggenhout. Maar dank zij Pagadder hier, ben ik tijdig verwittigd en kon ik de hulp van de wijze Saga Azénor inroepen. Vannacht is de betovering verbroken, alles zal weer zijn zoals het vroeger was. Maar eerst moeten we nog even een rekening gaan vereffenen op het kasteel van Doggenhout.”
De bonte groep aangevoerd door de baron, de wijze saga en de kleine dikke boer trok daarop dreigend naar het kasteel aan de andere kant van het dorp en bleef daar voor de poort staan.
“Van Doggenhout, doe open, we hebben nog een eitje te pellen” riep de baron.
Maar het was niet de graaf die opendeed, maar Azimut, die dreigend met zijn staf voor de massa kwam te staan. Maar dat was zonder Azénor gerekend: die een andere toverspreuk uitsprak:
Vade retro,
Mobilicorpus
Verdwijn met je schone schijn
En kom nooit weer, jij oud venijn
En inderdaad Azimut vloog de lucht in, en verdween hoog aan de horizon. In paniek reden de trawanten van Azimut zo snel ze konden met hun karren door de kasteelpoort en ook zij verdwenen in een wolk van stof.
De enige die snikkend achterbleef was de graaf van Doggenhout.
“Vergeef me, ik was ook verblind door de schone schijn van Azimut. Baron, wordt jij maar terug burgemeester, jij kan dat veel beter dan ik”
Maar zo gemakkelijk kwam hij er niet van af.
“Waar is het geld van de boeren, dat jij ondertussen hebt verdiend? “ vroeg de nieuwe, oude burgemeester.
“Ik,ik,ik” stamelde hij “zal het gaan halen” . Even later lagen er zaken vol muntstukken voor de voeten van de baron.
“Vrienden”, sprak die, “met dit geld organiseren we een heel groot feest om te vieren dat alles weer het oude is.
En zo gebeurde het. De week daarop werd het grootste feest georganiseerd dat het dorp ooit had gezien. Azénor was de koningin van het bal en iedereen wilde met haar dansen. En Pagadder vond zowaar een heel mooi nieuw lief.
Alleen van Doggenhout mocht niet komen. Die zat te grienen in zijn kille kasteel, hoorde de muziek op de achtergrond en voelde zich diep ongelukkig.
EINDE
(*) De wijze Saga Azénor is een centrale figuur in de jeugdboeken “De magische sleutel” en “De geheime gang “ van jeugdschrijfster Danielle Dergent (uitgeverij Manteau). Het derde deel verschijnt in maart 2011
2. HET MAGISCHE BOS
1. Rust in het Zevenbergenbos
Het Zevenbergenbos in Rundt is ook nu nog een aangename plaats voor wie even op adem wil komen. Er heerst rust. De lucht is zuiver. Hier geen auto’s en andere stinkmachines. In het bos heersen jarenoude bomen. Eiken en beuken, die jaar in jaar uit nieuwe blaadjes krijgen en ze weer verliezen. Elk jaar een jaarringetje meer.
Dit bos is al heel oud en daarom bloeien er zoveel bloemen in de lente : bosanemoon, speenkruid, aronskelk, eenbes, grote keverorchis. En later in het jaar heersen de paddestoelen. Als je stil bent en overdag door het bos wandelt zie je ook de bosbewoners, bosvogels zoals spechten maar ook een heleboel andere dieren, konijnen, hazen,eekhoorntjes en als je heel veel geluk hebt ook af en toe een ree.
Maar wat weinige mensen weten of ooit gezien hebben zijn de toverachtige bewoners die dit oude bos heeft. Maar die zijn zo mensenschuw dat je ze nooit te zien krijgt. Zevenbergenbos is een echt magisch bos waarin diep verborgen kabouters en elfen wonen. De kabouters en de elfen zijn de bewakers van het bos. Wanneer niemand het ziet zorgen zij voor bomen, planten en dieren. Zij zijn de vrienden van al wat leeft en de natuur zo rijk maakt.
Midden in het bos wonen de aardelfen. Dat is waar zij het liefste wonen, ver van de mensen maar tussen dieren en planten. Ze leven in holten van de bomen, of tussen de wortels en takken en natuurlijk op elfenbankjes. De elfen onderhouden het bos. Het zijn harde werkers, ook al zijn ze niet erg groot.
Hun beste bosvrienden zijn de kabouters, die iets kleiner zijn, zo tussen de 15 en de 30 centimeter. Kaboutermannetjes hebben dikwijls een baard, zeker als ze al wat ouder zijn. Hun vrouwtjes hebben bolle wangetjes. En ze zijn allemaal bijna even rond als ze groot zijn. Kabouters houden van de dieren maar ook, en dat is minder geweten, ze houden ook van de mensen. Maar dan alleen als de mensen ook van het bos en zijn bewoners houden. Ze zijn de mensen dan ook van tijd tot tijd vriendelijk gestemd. In het donker verrichten ze soms klusjes voor de mensen, zoals het opruimen van een tuin, die er maar wat verwaarloosd uitziet. Je hoort grote mensen dan ook wel eens zeggen: “ruim die tuin op, of dacht je dat de kabouters dat soms zullen komen doen? “ Ja hoor, soms komen de kabouters je helpen. In elk geval is het een vriendelijk volkje, dat aan de rand van het bos woont, en dat erg veel houdt van lekker eten en drinken en natuurlijk ook van muziek maken en dansen. Want een muzikaal volkje dat graag feestviert, dat zijn ze.
Zo was het Zevenbergenbos eeuwenlang een aangename plaats, waar elfen en kabouters het rijk voor zich alleen hadden. De planten en de dieren werden door hen goed verzorgd en beschermd.
Aan de rand van het bos staat al zolang de mensen het zich kunnen herinneren, het kasteel van de graaf van Rundt. De laatste graaf van Rundt was de goede heer Diederik. Hij leefde in vrede met het bos en zijn bewoners. Hij had er ook wel een beetje schrik van, dus kwam hij zelf weinig in zijn kasteelbos en zeker niet als het donker was. Op die manier hadden de dieren in het bos en ook de elfen en kabouters weinig last van hem, en van de andere mensen, die het voorbeeld van Diederik volgden.
Diederik stierf erg oud, hij werd bijna honderd jaar, maar omdat hij niet alleen bang was van het bos, maar ook van mooie vrouwen, was hij nooit getrouwd geweest. Hij had dan ook geen kinderen toen hij stierf. Er was ook niet veel andere familie van hem meer overgebleven. Ergens was er nog een achternicht. Toen die hoorde dat haar oudoom was gestorven, trok zij naar het kasteel, en ging er doodleuk wonen. Maar met dat mens was wel iets grondig mis. Langs moederskant was zij afstammeling van een heksengeslacht. En zoals iedereen weet zijn er goede heksen en kwade heksen. Doordat zij al jong op het slechte pad was geraakt werd zij dan ook een heel erg kwaardaardige heks. Haar naam was Belladonna Mortel!
2. Belladonna en Olaf de trol
Toen Belladonna na de begrafenis van de goede graaf Diederik in het kasteel aankwam, was het eerste wat zij zag, toen zij door het raam van de grote ridderzaal over het water van de slotgracht keek, het grote en vredige Zevenbergenbos. “Dat bos ligt er maar ongebruikt bij”, dacht ze, “het zou beter zijn als die bomen zouden verdwijnen. Misschien kan ik er wel een paar sukkelaars uit het dorp laten werken voor mij, dan brengt het me nog iets op ook”.
De tweede dag dat zij in het kasteel verbleef, trok Belladonna haar stoute heksenschoenen aan en ging het bos in, om haar nieuwe bezit te verkennen. Behoedzaam sloop ze tussen de bomen, maar toen zag ze iets dat haar hart deed verstillen. Aan de rand van het bos stonden in een kring een tiental kleine huisjes, met een rood-wit gespikkeld dak. Geen twijfel mogelijk: dit was een kabouterdorp. En als er iets is waar kwade heksen een grote hekel aan hebben, dan zijn het wel kabouters. Ze maakte zich vlug uit de voeten, maar in paniek liep ze niet terug naar het kasteel, maar steeds dieper het bos in. Ze botste tegen een boom, en tussen de sterretjes die voor haar ogen dansten van de klap, zag ze nog net een magere gestalte in een wit gewaad sierlijk wegglippen.
“Wel heb ik nou ooit”, schrok ze, “er zitten hier ook nog elfen!”
Nu moet je weten dat een kwade heks zo mogelijk een nog grotere hekel heeft aan elfen dan aan kabouters. Dat komt omdat de elfen precies het tegenovergestelde doen van wat een kwade heks zou doen. De planten en de dieren beschermen in plaats van ze te vernielen.
Belladonna keerde snel op haar schreden terug en zag, gelukkig voor haar, in de verte het kasteel terug opdoemen. Ze vluchtte naar binnen, en sloot de grote poort snel af. Terwijl ze op een keukenstoel zat uit te hijgen, bedacht ze dat haar plannetjes met het bos toch niet zo gemakkelijk uit te voeren zouden zijn. Daarvoor zou ze al haar toverkracht moeten aanwenden. Omdat het ook geen erg moedige heks was, was ze er ook van overtuigd dat ze hulp nodig zou hebben.
De aardtrollen, die zouden nu van pas komen. Lang geleden waren de aardtrollen uit het hoge noorden naar onze streken gekomen. Die waren door de Noorse koning Gustaaf de Dikke verdreven uit hun geboorteland, omdat ze niet aardig voor planten, mensen en dieren waren. Trollen zijn lelijke wezens met lange neuzen, lang haar en soms ook wel een staartje. Ze zijn groot, dom en kwaadaardig. Sindsdien leefden hier en daar aardtrollen, in donkere grotten, ver van de bewoonde wereld, steeds broedend op plannetjes om het dieren- en plantenrijk de duivel aan te doen.
Belladonna kende één bijzonder lelijke en boosaardige maar ook zeer domme trol, Olaf de Rosse, een roodharig monster, dat alleen maar geïnteresseerd was in eten en drinken en in het bang maken van mensen en dieren.
Ze bond een bericht aan de poot van haar zwarte kraai en fluister die in het oor naar Olaf te vliegen.
En zo gebeurde het dat een paar dagen later Olaf de Rosse op het kasteel toekwam. Want een vraag van Belladonna om zo snel mogelijk te komen, kon hij onmogelijk weigeren.
“Luister Olaf, dat bos is van mij, maar het is er vergeven van de kabouters en de elfen. Die moeten eruit. Daarvoor heb ik je naar hier laten komen. Jaag die mormels weg. Ik zal je er rijkelijk voor belonen!” gaf Belladonna als verklaring voor haar vraag om zo snel mogelijk te komen.
“Ik haat die mormels” zei Olaf, “maar hoe moet ik dat in mijn eentje doen?”
“Drijf ze samen aan de grote slotgracht en jaag ze in het water, ik weet wel zeker dat ze niet kunnen zwemmen, dan zijn we er vanaf”, antwoordde Belladonna boosaardig. “En ik heb misschien wel een hulpmiddeltje dat het wat gemakkelijker maakt”.
Toen haalde Belladonna een houten fluit, een soort blokfluit, uit haar mantel.
“Deze fluit trekt alle magische wezens aan, zolang je er maar vals op speelt. Als je zo hard en vals blaast als je kan, zal je zien dat kabouters en elfen erop af komen. Maar door de valse tonen worden ze willoos. Ze volgen je naar waar je wil. Tegelijk zijn ze verdoofd en weten ze niet meer wat ze doen. Maar ik moet je wel waarschuwen: er is ook iets mis met die fluit. Speel er nooit, ik herhaal het NOOIT, een melodie op, want dan gebeuren er vreemde dingen! De fluit werkt alleen als je er vals op speelt"
“Maar dat zal voor Olaf wel geen probleem zijn”, dacht Belladonna, “die sukkel is zo dom dat hij niet eens het verschil tussen links en rechts kent. Dus muziek maken dat kan hij al zeker niet”.
Gretig stak Olaf zijn grote harige klauwen uit naar de fluit.
“Geduld” siste Belladonna, “Vanavond nemen we het er nog eens goed van. Morgen slaan we onze grote slag”.
En ze namen het er eens goed van met een rijke heksenmaaltijd met spinnen als voorgerecht, gebakken vleermuizen met gestoofde dennennaalden en een grote beker hertenbloed.
3. De magische fluit
De dag daarop had Olaf dan ook een kater, want hij had wat te veel gedronken. Tegen de middag werd hij door Belladonna uit zijn bed geschopt. “Vooruit lamzak, aan het werk: ga die kabouters en elfen vangen!”
Even later trok Olaf het bos in, met de fluit in zijn trollenklauwen. Behoedzaam sloop hij tussen de bomen, op zoek naar kabouters en elfen. Het was een zonnige ochtend in de herfst. De lucht rook naar natte blaren en paddestoelen. Het was echt aangenaam in het bos, maar Olaf zou daar snel een einde aan maken…
Op een open plek midden in het bos trapte de trol zonder het zelf te merken op een graspol, die een beetje boven de rest uitstak. Daarmee had hij op het dak van een ondergrondse elfenwoning getrapt. Op een elfengraspol dus.
Het was de woonplaats van één van de jongere elfen, Karmijn, die schrok door de grote bons die hij plots hoorde. Hij deed het luik onder de elfengraspol open en keek recht in de ogen van de afschuwelijke trol, die al even hard schrok als hijzelf. De trol nam de fluit en begon er verwoed op te blazen. Horen en zien verging van de valse noten die eruit kwamen en Karmijn bleef als verlamd staan. Van alle kanten sprongen nu ook andere elfen uit bomen en holen onder de grond. Ook zij leken verlamd en schuifelden willoos in de richting van de trol.
Die bleef maar blazen en zag dat er ondertussen al een stuk of twintig elfen in zijn buurt waren. Tot zijn verbazing deden ze hem niets en toen hij zich in beweging zette, volgenden ze hem gedwee. Belladonna had dus gelijk over de werking van de fluit. Als hij nu maar zou blijven blazen, dan zou het plan volledig lukken.
Nu nog de kabouters zien te vinden.
Een rare stoet trok door het bos, met voorop de wild blazende trol, gevolgd door een grote groep in het wit geklede verdwaasde elfen. De dieren in het bos, die ook waren opgeschrikt door het lawaai, vluchten weg en raakten nog meer in paniek door het schouwspel dat ze zagen.
Olaf ging met zijn vangst richting slotgracht, om de elfen te laten verdwijnen. En maar blazen en blazen. Maar hij merkte niet dat hij stilaan moe werd en buiten adem geraakte. De klanken bleven komen, maar steeds minder en minder luid
Ondertussen waren de kabouters ook al aan het werk. Een van hen was de oude kabouter Rudolf, die al ongeveer 550 jaar was en door zijn hoge ouderdom eigenlijk potdoof. Ook al wilde hij dat niet toegeven. Hij was het bos ingetrokken op zoek naar hout voor zijn kacheltje en hij zag de trol met de elfen in zijn spoor. Maar omdat hij zo slecht hoorde, hoorde hij gelukkig ook het valse gefluit niet.
"Dat is niet pluis" dacht hij, en zo snel als zijn oude benen hem konden dragen stommelde hij naar het kabouterdorp aan de bosrand.
"Ik heb een trol gezien" riep hij "en die heeft precies de elfen gevangen". Dat veroorzaakte grote paniek en de kaboutermannetjes en vrouwtjes begonnen druk door elkaar te lopen in alle richtingen, totdat de opperkabouter Alfonso luid riep "STOOOOP, we moeten nadenken en dan iets doen!" Hij wees naar drie jonge kabouters, Ludwig, Fransoo en Willebrord: "jullie gaan zien wat er aan de hand is, maar voorzichtig zijn".
De drie aangewezen vrijwilligers, die eigenlijk meer schrik hadden dan moed, deden wat hen werd gevraagd en gingen op zoek naar de trol en de gevangen elfen in de richting van waar Rudolf was komen aangelopen.
Ondertussen begon trol Olaf toch te ondervinden dat hij heel erg moe begon te wordne van al dat blazen op de magische fluit. "Misschien kan ik wel even ophouden met blazen en gaan zitten" hijgde hij bij zichzelf. Hij stopte dus met zijn wild geraas en keek even naar de elfen, die ook waren blijven staan en nog steeds even verdwaasd voor zich uit staarden. De betovering was dus niet uitgewerkt. Olaf ging zitten op een boomstronk en legde de fluit naast zich neer.
De drie kabouters kwamen op dat moment naderbij geslopen en zagen nog net dat de trol was gestopt met op de fluit te blazen. Gelukkig hadden ze niet genoeg gehoord om zelf ook betoverd te worden..
"Het heeft met die fluit te maken", zei Fransoo, die duidelijk de snuggerste van de drie was "Volgens mij zijn de elfen betoverd door het fluitegeluid".
"Dan moeten we die fluit te pakken zien te krijgen, voordat hij opnieuw begint" was het besluit van Ludwig. De twee anderen knikten.
"Leid hem af, dan probeer ik die fluit te pakken", zei Willebrord.
Zo gezegd zo gedaan. Fransoo en Ludwig liepen in de richting van de trol, die zat te puffen en uit te hijgen.
"Hee Stomme Trol, pak ons als je kan" riepen ze, terwijl ze driftig met hun armpjes zwaaiden.
De Trol schrok op, stond recht en moest eerst eens kijken waar dat geroep vandaan kwam. Toen zag hij de twee kabouters en hij deed een stap in hun richting, maar struikelde daarbij over een uitstekende boomwortel.
Ondertussen was Willebrord langs achteren toe komen sluipen en hij pakte snel de fluit mee, die Olaf op de boomstronk had laten liggen. Olaf lag nu languit op de grond, keek achterom en zag nog net hoe de kabouter de fluit meegriste.
Nu werd hij pas echt woest en zette de achtervolging opnieuw in. Maar de drie kabouters kenden de weg in het bos natuurlijk veel beter en hoe hij ook probeerde, hij kon hen niet inhalen.
Buiten adem kwamen de drie helden in het dorp aan. “We hebben de fluit! We hebben de fluit!” riepen ze opgewonden. De andere kabouters keken verwonderd toe. “Hé een fluit!” riep kabouter Marcus, die bekend stond om zijn muzikaliteit en die altijd voor de muziek bij de kabouterfeestjes zorgde.
“Mooi stuk” dacht hij, “ik ben benieuwd hoe die klinkt” en hij zette een bekend melodietje in: “wij houden van dansende steentjes in de vrije wereld!” Dat klonk goed!
Maar precies op dat ogenblik stormde Olaf het kabouterdorp binnen, daarbij naar niks kijkend en hier en daar een kabouterhuis beschadigend. Maar op dat ogenblik gebeurde dat waar Belladonna voor gewaarschuwd had: er werd een echte melodie op de magische fluit gespeeld.
Toen Olaf dat hoorde werd hij helemaal niet goed, hij viel op zijn knieën en begon onbedaarlijk te huilen. “Ik wil naar mijn trollenmoeder” riep hij.
Langzaam kroop hij recht, en verblind door de tranen strompelde hij weg, maar liep recht naar de slotgracht. Hij miste de burg en viel in het water en met een vreselijk gorgelend geluid verdween hij naar de bodem.
Belladonna stond ondertussen in het kasteel op de uitkijk. Tot haar ontzetting zag ze de Trol wenend als een hoopje ellende in het water sukkelen. Ze zag de kabouters aan de rand van de slotgracht staan terwijl Marcus zijn vrolijke deuntje speelde. En uit het bos kwamen ook de elfen tevoorschijn, precies alsof zij uit een diepe slaap ontwaakt waren. Het volkje aan de slotgracht begon op de vrolijke noten te dansen. Een groot gevaar was afgewend.
Geschokt door dat tafereel en toen zij de vrolijke noten ook hoorde, begon Belladonna te krijsen. In de Bijkeuken greep ze snel naar haar vliegende bezem, sprong erop, vloog op en verdween pijlsnel aan de horizon.
Niemand heeft haar later ooit nog teruggezien. En de trol, die ligt sinds die tijd op de bodem van de slotgracht.
En zo eindigt ons verhaal. Het Zevenbergenbos bleef bestaan dank zij de elfen en kabouters. Marcus maakte nog vele liedjes, die hij ’s nachts bij de mensen, terwijl ze sliepen, ging spelen. Als ze dan ’s morgens opstonden hoorden ze dat liedje nog altijd in hun hoofd. Veel van die liedjes worden nu nog gezongen in Rundt en omstreken.
Het bos bloeide en groeide verder. Het is nu aan de mensen om ervoor te zorgen dat dit mooie bos voor altijd blijft bestaan, niet alleen voor planten en dieren maar ook voor de mensen zelf.
En nu beste vrienden, is het tijd voor pannenkoeken!


0 Comments:
Post a Comment
<< Home