De Burgers van Rundt
1. Ergens in het Diepe Vlaanderen
Ergens in het diepe Vlaanderen ligt het rommelige dorpje Rundt. Rundt is een samenraapsel van vier gehuchten: Woeleghem, Klein-Rundt, Rokkeghem en Hummelebum. Het is er goed wonen maar de mensen zijn er nogal warrig. Er is in Rundt niet zoveel te zien. Tot een paar jaar geleden was Rundt bezet door soldaten uit het verre Tonyland. Maar die zijn ondertussen vertrokken, omdat ze eigenlijk niet meer wisten waarom ze in Rundt waren en ze het nut van hun bezetting niet meer inzagen. Nu zit Rundt met een aantal verlaten legerkampen. Op één van die terreinen komen de pompiers tegenwoordig van heinde en verre leren spuiten. Op een ander terrein werden barakken opgericht voor vluchtelingen uit verre continenten, die in Rundt zijn achtergelaten omdat ze er toch niks verkeerds kunnen doen. En dan is er nog een kamp dat niemand wilde hebben. De inwoners van Rundt hebben het dan maar zelf in beslag genomen. De duivenmelkers stoppen er elke week hun gevederde vrienden in manden, waarna ze naar Chirakije worden getransporteerd. Om één of andere reden komen die duiven altijd terug naar Rundt, wat de duivenmelkers dan weer verplicht om ze weer weg te sturen. Jonge Rundtenaars kunnen daar ook leren autorijden, daarbij geholpen door de brave borsten van de Diepgelovige Arbeidersklub (DAK). De plaatselijk jeugd organiseert er feestjes, die als kenmerk hebben dat er veel lawaai wordt gemaakt. Voor de rest verschilt Rundt in niks van alle andere dorpjes uit het diepe Vlaanderen. Dus iedereen die zich diepe Vlaming voelt is er tevreden.
Rundt wordt bestuurd door goedmenende mensen. Burgervader is de alomgeliefde Lode Tuinmans. Hij wordt geholpen door Jef De Facteur, Sonja De Popster en Hugo Jannemans, de kruidendoktoor. Er zijn ook twee groene kabouters, Dikkie van Groenewegen en Willie Warmers, die meestal in de weg lopen. Maar ze zijn zo klein dat dat eigenlijk niet opvalt. Voor de arme mensen van Rundt zorgt de dikke vriend van de burgervader, Jan Radeizen.
Maar er dreigt tweespalt en ruzie in Rundt. Freule Titinne van Rattepaart wil eigenlijk burgermoeder worden. Daarbij wordt ze geholpen door Nicolien Heertjes, haar trouwe dienstbode.
Diep in de bossen loopt ook nog de aardtrol Renaat De Bulder rond. Die wil ook graag eens meedoen met het dorpsbestuur, maar niemand houdt van hem, omdat hij een beetje vies is. De vrienden van de burgervader en ook die van Freule van Rattepaart hebben ook wel wat schrik van zijn geheime trollenclub van het Zwart Behang.
Elske en Maxke, de purperen en de rode kabouter, die niemand ooit gezien heeft, omdat ze nog kleiner zijn dan de groene kabouters hebben aan Willie en Dikkie gevraagd om één grote kabouterclub te stichten. Met zijn allen zouden de kabouters de burgervader of de burgermoeder in spe kunnen helpen om de dieren en de bomen van Rundt te beschermen en om de club van Renaat De Bulder weg te jagen. Want het is geweten: kabouters doen het graag goed, maar omdat ze zo klein zijn, worden ze nogal dikwijls over het hoofd gezien.
2. De Laatste Keer
Op een mooie lentemorgen werd Rundt opgeschrikt door slecht nieuws. De stadhouders van het diepe Vlaanderen lieten weten dat ze hun zinnen hadden gezet op “de Laatste Keer” een lapje grond in Woeleghem. De Laatste Keer van Woeleghem ligt naast het Grote Kanaal dat Waterstad met Vuurstad verbindt. En aan dat kanaal moesten volgens de stadhouders kleine fabriekjes komen.
De stadhouders hadden gezien dat grote fabriekjes meer en meer naar de verre continenten verhuisden. Daar moeten de mensen minder eten, dus moeten ze ook niet zoveel betaald worden als ze in een groot fabriekje willen werken. Bovendien moet er van de stadhouders van de verre continenten niet echt op het welzijn van de bomen en de dieren worden gelet. Het is er dan ook gemakkelijker om er een vuil groot fabriekje te bouwen.
De stadhouders van het diepe Vlaanderen denken dat kleine fabriekjes de grote fabriekjes kunnen vervangen. De Laatste Keer zou volgens hen een uitstekende plaats zijn om nieuwe kleine fabriekjes te bouwen.
En zo kwam die morgen stadhouder Durk Van Muizen in de Courant van Waterstad vertellen dat hij dat stukje Woeleghem vol kleine fabriekjes wilde zetten. Maar waar hij niet zo over had nagedacht was wat er met de mensen die op de Laatste Keer woonden moest gebeuren. Ook de boeren van de Laatste Keer, die er in alle rust hun koeien lieten grazen en aan de inwoners van Rundt melk, zelfgemaakte kaas en roomijs verkochten, waren natuurlijk niet echt blij. Met de komst van de kleine fabriekjes zou het gedaan zijn met de rust en waar zouden de koeien nog kunnen grazen?
De boeren en de inwoners schrokken zich begrijpelijkerwijze een hoedje toen ze die morgen de Courant van Waterstad opensloegen. Nadat het nieuws zich als een lopend vuurtje had verspreid, waren ze het er onder elkaar al gauw over eens dat ze dat plan van de stadhouders maar niets vonden. Ze vroegen dus aan de goedmenende bestuurders van Rundt of die daar niets aan konden doen.
Burgervader Tuinmans, die aan de andere kant van Woeleghem woont, zat in een lastig parket want hij was lid van dezelfde club als stadhouder Van Muizen en in feite had hij minder te zeggen in de club als de stadhouder. Hij verzekerde de mensen van de Laatste Keer dat hij de zaak in het oog zou houden. Maar met die verzekering waren ze niet echt gerustgesteld. De burgervader verzekert immers iedereen voortdurend van vanalles. Hij heeft van verzekeren als het ware zijn beroep gemaakt.
Maar ook freule Van Rattepaart, die altijd beweert dat ze het als burgermoeder beter zou doen dan de burgervader, kon de bewoners van de Laatste Keer niet met een gerust gemoed terug huiswaarts laten gaan. “Ja we zitten fameus in de patatten” zei ze. Dat zegt ze namelijk altijd als ze niet weet wat te antwoorden op een moeilijk probleem. Want een andere stadhouder, die toevallig tot haar club behoorde, de altijd glimlachende Kristoffel Pieterman, wilde misschien nog liever kleine fabriekjes op de Laatste Keer dan zijn collega Van Muizen.
De Aardtrol Renaat De Bulder, die altijd een groot voorstander is geweest van kleine fabriekjes, liet weten dat hij ook niet wilde dat de boeren zouden moeten plaats maken. Maar dat deed hij omdat hij hoopte dat op die manier op zijn minst een paar van die boeren hem graag zouden zien. Maar heel betrouwbaar vonden de mensen van de Laatste Keer hem toch niet.
Misschien zou de grote kabouterclub wel een oplossing hebben.
3. De stadhouder van Blijvende Vervoering
De grote kabouterclub was van mening dat de oplossing van het probleem misschien bij de stadhouders zelf moest worden gezocht. Maar welke stadhouder was bereid om naar de mensen van de Laatste Keer te luisteren? Van de excellenties Pieterman en Van Muizen moesten ze niet teveel verwachten, dat was duidelijk. Het was ook geweten dat de stadhouder van Groeiende Productie, mevrouw Veenvrouwe, een enorme voorliefde had voor kleine fabriekjes, maar dan vooral voor fabriekjes met bollebozen. Haar plan was overal kleine fabriekjes te bouwen waar bollebozen de hele dag zouden nadenken over nieuwe dingen die de mensen zouden kunnen nodig hebben. Nieuwe dingen zorgen voor groeiende productie en dat was toch haar taak als stadhouder. Tot hiertoe was er nog geen aanwijzing dat er bollebozen naar de Laatste Keer zouden komen, maar er zou in elk geval wel plaats voor zijn. Zodoende kon mevrouw Veenvrouwe ook van het lijstje van eventueel gunstiggezinde stadhouders worden geschrapt.
Nu was er onder de stadhouders toch minstens één persoon, die zich diep in haar wezen verbonden voelde met de kabouters, omdat zij dankzij de kabouters stadhouder was geworden. Dat was Katalina van Vroemvroem, de stadhouder van Blijvende Vervoering. Het was haar taak ervoor te zorgen dat de mensen van het diepe Vlaanderen overal gemakkelijk naartoe zouden kunnen reizen, als ze dat zouden willen. Daarvoor had ze de Krommelijn overgenomen van haar voorganger. De Krommelijn bestond al lang en diende om mensen die geen eigen kar hadden van hier naar ginder en terug te brengen. Daarvoor hadden ze veel grote karren, waar veel mensen in konden. Alleen moest je soms nogal lang zoeken voor je er een tegenkwam die je kon meenemen van hier naar ginder.
Katalina van Vroemvroem had zich voorgenomen dat iedereen in het diepe Vlaanderen, ook degenen die een eigen karretje hadden, voor een grijpstuiver van het ene dorp naar het andere of van het dorp naar de stad of omgekeerd konden worden gebracht door een kar van de Krommelijn. Men zou ook niet langer moeten zoeken naar een kar van de Krommelijn. Die zouden namelijk overal om het hoekje staan wachten op reizigers. Dat was toch wat ze altijd vertelde als het over haar troetelkind ging. Diep in haar binnenste wist ze ook wel dat het niet allemaal van een leien dakje zou lopen. Daarom kroop ze soms zelf achter het stuur van een kar om aan de mensen van de Krommelijn te tonen hoe ze het moesten doen.
In elk geval was het ook in Rundt voorlopig nog altijd niet zo gemakkelijk om met een grote kar van de Krommelijn van zeg maar Hummelebum naar Woeleghem te rijden. Je had er al vlug een volledige dag voor nodig en het was aangeraden om toch voor twee keer eten mee te nemen. En voor alle zekerheid was het ook wel nuttig om te voorzien dat je onderweg in Klein Rundt, dat zowat halverwege Hummelebum en Woeleghem ligt, zou kunnen overnachten bij vrienden of familie.
Het probleem was duidelijk: zolang de Krommelijn in Rundt niet voor blijvende vervoering zou kunnen zorgen, zou iedereen met zijn eigen karretje moeten rondrijden. En als er nu ook nog veel kleine fabriekjes zouden komen op de Laatste Keer, dan zouden de werkmensen, ook al zouden het bollebozen zijn, met hun eigen karretje naar hun fabriekje tuffen. Er was nu al geen doorkomen meer aan op de smalle landwegen van Rundt, en dat zou dus alleen maar erger worden.
En dat was nog niet alles, want kleine fabriekjes trekken ook veel grote karren aan, al was het maar om de nieuwe dingen, die de mensen zouden kunnen nodig hebben overal naar het diepe Vlaanderen en daarbuiten te brengen. Grote karren rijden het liefst over de grote snelle weg. Nu is Rundt heel mooi gelegen naast de snelle weg van Waterstad naar Vuurstad en wel precies op het punt waar ook de snelle weg naar het Noordelijke Broederland begint. Daarom rijden er veel grote karren langs Rundt. Dat is geen probleem, want over de snelle weg liggen genoeg bruggen die de Rundste dorpen met elkaar verbinden.
Het wordt wel lastig als de grote karren in Rundt de snelle weg verlaten. Om de kleine fabriekjes die her en der in Rundt en omstreken in het landschap verspreid liggen te kunnen bereiken, moeten de grote karren langs de dorpjes Woeleghem, Rundt, Rokkeghem en zelfs Hummelebum rijden. Omdat grote karren stinken, veel lawaai maken en de smalle dorpstraten versperren, is dat niet echt aangenaam voor de dorpsbewoners. Dus als er in Woeleghem ineens heel veel kleine fabriekjes zouden bijkomen, dan zouden er ook meer grote karren door Rundt gaan rijden.
Dus zei de grote kabouterclub: “We gaan dat uitleggen aan Katalina van Vroemvroem. Zij is ons gunstig gezind en ze zal wel begrijpen dat de plannen van de andere stadhouders alleen maar voor problemen zorgen en dat het dan gedaan is met de blijvende vervoering in Rundt”
De kabouters trokken hun stoute schoenen aan en schreven een brief met de vraag of de stadhouder van Blijvende Vervoering even naar hun grieven zou willen luisteren
4. Naar Brokkeledam bij Katalina
Katalina van Vroemvroem antwoordde al gauw aan de kabouters van Rundt dat ze het probleem van de Laatste Keer begreep en dat ze wel wilde luisteren naar wat ze te zeggen hadden. Ze nodigde de kabouterclub uit voor een gesprek op haar stadhouderskantoor in Brokkeledam, de Grote Stad in Tmiddenvantlant, waar men slechts node naartoe trekt.
Vol goede moed stapte een kabouterdelegatie een paar dagen later op de trein van Waterstad naar Brokkeledam. Daar aangekomen moesten ze even zoeken naar het stadhouderskantoor. Ze waren namelijk in een verkeerd station afgestapt, en de mensen aan wie ze de weg vroegen, verstonden hen niet. Of ze deden alsof ze hen niet verstonden. In elk geval spraken ze bijna allemaal chirakees, een taal die alleen Maxke, als actief duivenmelker onder de knie had.
Maar na heel wat omzwervingen en drie keer op een verkeerde Onderdegrondtram te hebben gezeten, werden ze door een vriendelijke chauffeur van een taxikar, die afkomstig bleek te zijn van een ver continent en die ook Diepvlaams verstond, voor de deur van het stadhouderskantoor van Katalina afgezet.
Daar werden ze naar een zaaltje gebracht, met gesloten gordijnen en gedempt licht. Achter een lange tafel zaten al een tiental klerken die zich voorstelden als chef, adjunct-chef, helper van de adjunctchef, adjuncthelpers van de adjunctchef en koffieverantwoordelijke. Onder de indruk namen de kabouters enigszins bedremmeld plaats aan de andere kant van de tafel. Ze waren nog maar nauwelijk gezeten of de klerken begonnen druk door elkaar te praten. Ze zeiden van alles, maar er was voor de kabouters geen touw aan vast te knopen. Bovendien hielden ze tegelijkertijd allemaal een straaltelefoon tegen hun oor. Het was dan ook niet duidelijk of ze tegen de kabouters, dan wel tegen de straaltelefoon aan het praten waren.
De kabouters keken elkaar ondertussen bezorgd aan, want ze hadden nog geen gelegenheid gehad om zelf iets te zeggen.
Toen Katalina langs een zijdeur het zaaltje kwam binnengewerveld, verstomden de klerken als bij toverslag en begonnen ze nerveus in het stapeltje papieren dat voor hun neus lag te bladeren.
Nog voor de kabouters hun mond konden opendoen sprak Katalina: “Beste leden van de kabouterclub van Rundt, ik heb jullie probleem aandachtig bestudeerd en kan zeggen dat we dat gaan oplossen.” Op dat ogenblik schoof een van de adjuncthelpers van de adjunctchef een papiertje door naar de helper van de adjunctchef, die dat dan weer doorschoof naar de adjunctchef waarna het bij de chef terechtkwam. Die legde het discreet voor de neus van Katalina die even bedenkelijk fronste. “Maar ik kan niet beloven dat het snel zal gaan”, voegde ze toe aan wat ze eerst had gezegd. “In elk geval, jullie kunnen met mijn groeten aan de boeren en de inwoners van de Laatste Keer zeggen dat we eerst professor Augustaaf Rooitjens laten onderzoeken hoe het zit met de grote en kleine karren in Rundt en omgeving. Daarna zullen we nog wel zien.”
De kabouters knikten enigszins uit hun lood geslagen en Willie vroeg of dat betekende dat er toch geen kleine fabriekjes op de Laatste Keer zouden komen. “Dat weten we nog niet” zei Katalina, “in elk geval is goeie ouwe Augustaaf niet van de rapsten als we hem een onderzoek vragen”.
Tja, dat antwoord was toch al beter dan niks. De kabouters beseften dat ze het daarmee zouden moeten doen. Alhoewel hun blikken een zekere moedeloosheid te kennen gaven, keek Katalina tevreden rond. Gezwind stond ze recht en zo snel als ze was verschenen, verdween ze ook weer door de deur waarlangs ze gekomen was, gevolgd door de klerken, in volgorde van belangrijkheid.
Het papiertje dat de adjuncthelper had doorgeschoven, lag nog op de plaats waar Katalina had gezeten. Dikkie, die van nature achterdochtig en nieuwsgierig was, griste het gauw mee. Er stonden maar een paar woorden op:
“Stadhouder-president niet goed gezind. Eerst nog praten met Pieterman, Van Muizen en Veenvrouwe. Nu tijd winnen!”
5. De oude wijze mensen krijgen een cadeau
Terwijl op de Laatste Keer de onrust om zich heen greep, ging ondertussen elders in Rundt het leven zijn gewone gangetje. De meeste werkende mensen stonden ’s morgens op, gingen werken en kwamen ’s avonds moe maar tevreden terug thuis om te slapen. De winkeliers deden hun winkels goedgemutst open en aan het einde van de dag met een goedkeurende blik op hun kassa weer dicht. De schooltjes stroomden als vanouds elke morgen vol jong grut, dat na een lange dag weer een beetje slimmer joelend huiswaarts kon trekken.
En de oude wijze mensen, die het allemaal al wel gezien hadden, kwamen samen in hun honk om zich bezig te houden met hun geliefkoosde tijdverdrijf, het loodje leggen. Het loodje leggen ziet er een onschuldig spelletje uit, maar dat is slechts schijn. Het is eigenlijk een spel uit het zuiden van Chirakije, waar men van oudsher op varkensjacht gaat door met loden bollen de arme beesten het bos uit te jagen. Ook nu nog legt men het loodje door met een metalen bal naar een houten varkentje te gooien. Dat is minder barbaars dan naar een echt levend varken, en net zo gemakkelijk, want een houten varken gaat niet lopen. De oude wijze mensen van Rundt zijn dol op het loodje leggen en her en der kan je ze overdag dan ook bezig zien en horen. Het zorgt doorgaans voor een hels lawaai. Niet alleen het getik van de metalen ballen gaat door merg en been, maar er wordt ook duchtig bij gevloekt door de loodjeleggers. Niet netjes, maar het hoort erbij. Iemand die zwijgzaam het loodje legt is een beetje verdacht en wordt beschouwd als een geniepigaard die misschien wel vals probeert te spelen.
Wie kon vermoeden dat de oude wijze mensen plotseling door hun tijdverdrijf in het oog van een nieuwe storm zouden terechtkomen?
Het honk van de oude wijze mensen, waar er elke dag een samenscholing van loodjeleggers was, had zijn beste tijd gehad. Omdat er af en toe wel eens een loodje uit de bocht vloog, waren er heel wat ruiten gebarsten. Soms zakte een oud wijs mens door de versleten plankenvloer en de tapinstallatie had niet genoeg debiet om alle dorstige kelen te laven. Een loodjelegger moet namelijk veel drinken.
Lou Dylan, de oude volkszanger, die de oude wijze mensen als hun opperloodjelegger hadden aangewezen, werd naar de burgervader gestuurd om te vragen of er misschien voor hen een nieuw honk, met al het noodzakelijke comfort, inzat.
De burgervader, die graag goede maatjes bleef met de oude wijze mensen, verzekerde Lou dat hij daarvoor ging zorgen en hij sprak kruidendoktoor Jannemans aan om het eens te bekijken.
Om het vervolg van het verhaal een beetje te kunnen begrijpen moet nog worden verteld dat Jannemans een mooie dochter had en een schoonzoon, Rollebol. In Rollebol had hij geen goed oog. Dat was normaal, want als vader van een mooie dochter heb je het meestal niet zo begrepen op het janhagel dat je oogappels hart wil veroveren. De kerel papte bovendien aan met de club van de burgervader. Jannemans heeft altijd zijn eigen kleine clubje gehad, omdat hij liever baas was over zichzelf en twee volgelingen, dan onderbaas in een grote club. Maar die nietsnut van een schoonzoon zag de club van zijn eigenste schoonvader blijkbaar niet zitten.
“Laat Rollebol maar een plannetje voor het nieuwe honk tekenen” zei hij tegen de burgervader “dan doet hij misschien eindelijk eens iets nuttigs”. Van de burgervader mocht dat en Rollebol liet er geen gras over groeien. Om bij zijn schoonvader in het gevlei te komen werkte hij nachten door en tekende een plan, dat volgens hem Rundt voor altijd op de architectonische wereldkaart zou zetten. Een multifictioneel komplex zou het worden, compleet met fitness, rooksalon, een groot overdekt terrein om het loodje te leggen bij slecht weer, een dakparking voor de karren van de oude wijze mensen, een feestzaal inclusief glitterbal aan het plafond en nog vanalles, waarvan niet duidelijk was waarvoor de oude wijze mensen het wel nodig zouden kunnen hebben. Rollebol deed dus geen half werk en hij hoopte dat hij daardoor eindelijk door zijn schoonpapa voor vol zou worden aanzien.
De burgervader was onder de indruk van de plannen, riep zijn secretaris en liet even uitrekenen hoeveel grijpstuivers dat allemaal zou kosten. Dat bleek wel mee te vallen. Als de bestuurders de komende tien jaar geen feestjes meer zouden organiseren dan zou het wel lukken.
Lou Dylan moest even slikken toen de burgervader en Rollebol hem de plannen lieten zien. Rollebol had nog een paar nachtjes doorgewerkt en met bierkaartjes die hij in de Rundtse tavernen had bijeengesprokkeld, een schaalmodel gebouwd. Alleen dat model al, dat zo’n tien op tien meter besloeg, zag er indrukwekkend, maar een beetje gammel uit.
De oude wijze mensen waren in hun nopjes, toen Lou hen had ingelicht. Hij had er nog een schepje bovenop gedaan en de zaken nog grootser voorgesteld dan ze al waren. Hij kon tevreden zeggen dat de oude wijze mensen tot het einde van hun dagen in alle rust en voorzien van alles wat het leven aangenaam kan maken, het loodje zouden kunnen leggen.
“Maar zeg er niks van tegen jullie buren” had de burgervader vooraf wel gewaarschuwd. Maar zoals dat altijd in het diepe Vlaanderen het geval is, wanneer men iets niet mag voortvertellen, was dat juist een aansporing voor de oude wijze mensen om tegen iedereen over hun nieuwe honk te gaan opscheppen.
En toen bleek dat niet iedereen in Rundt zo dol is op het loodje leggen.
6. De burgervader valt van zijn voetstuk
De burgervader had de oude wijze mensen dus gewaarschuwd om niets verder te vertellen. In feite wilde hij voorkomen dat de plannen ter ore van freule van Rattepaart en Nicolien Heertjes zouden komen. Die zouden wellicht alles in het werk stellen om de burgervader te dwarsbomen in zijn poging om met het nieuwe honk op een goed blaadje bij de oude wijze mensen te komen.
Maar dat draaide dus even anders uit. De buren, die niets mochten weten waren snel op de hoogte van de plannen. De ene buur vertelde het aan de andere buur en na twee dagen wist iedereen het.
Rundt begon te gonzen van geruchten, die door buren met een meer dan gemiddelde fantasie werden verspreid.
Er werd verteld dat het niet veel zou schelen of de hele wijk rond het honk zou tegen de vlakte moeten voor het nieuwe oudewijzemensenpaleis. Er werd voor waar aangenomen dat de concertzaal plaats moest bieden aan minstens 5000 toeschouwers. Er zouden zelfs al plannen zijn om de diepvlaamse nachtegaal Lorelei Lintzaag te laten optreden bij de plechtige inhuldiging, als zij dan tenminste al terug bij stem zou zijn.
De stadhouder van Nutteloze maar Aangename Bezigheden, Adelbert Tierdrop had naar het schijnt ook aangekondigd het wereldkampioenschap loodjeleggen naar Rundt te halen als het nieuwe honk zou klaar zijn. Dat zou goed mogelijk zijn, want er zou toch plaats zijn om minstens tweehonderd partijtjes loodjeleggen tegelijkertijd te kunnen laten doorgaan.
Wat in het begin licht verontwaardigd geroezemoes was, dreigde uit te groeien tot een ware opstand van de brave buurtbewoners. Normaal waren het mensen die zich nooit lieten horen. Ze waren tevreden dat ze rustig konden wonen in Rundt. Het kabaal dat de oude wijze mensen tijdens het loodjeleggen maakten namen ze erbij, want dat gebeurde overdag, terwijl de meeste mensen toch elders waren om hun zware dagtaak te vervullen.
Overal verschenen zwarte vlaggen en affiches voor de ramen met teksten als “Wij willen het loodje niet leggen” , “Geen gevloek om de hoek” en “Grijs is niet wijs”. Morrend volk schoolde samen op straathoeken en keek kwaad naar verdachte passanten van meer dan middelbare leeftijd.
Het gemor bereikte de burgervader met enige dagen vertraging. Vertwijfeld krabde die zich in het weinige haar en vroeg zich af wat er toch zou kunnen misgelopen zijn. Hij had toch zijn best gedaan om het iedereen naar zijn zin te maken. Een beetje dankbaarheid mocht wel. Het nieuwe honk zou er voor jaren staan. Zelfs wie nu nog niet oud en wijs was, zou er ooit wel mee van kunnen profiteren. Hij had dan ook een sterk vermoeden dat van Rattepaart en Heertjes achter de heisa zaten.
Hij riep zijn vrienden bijeen voor overleg. Jannemans stak de schuld in de schoenen van Rollebol. Die zijn plan was toch maar niks, vond hij en bovendien was het schaalmodel na een paar dagen al ingestort. Sonja De Popster, die in Rundt over Nutteloze maar Aangename Bezigheden gaat, zei dat ze er nog niet over nagedacht had. Dat was niet zo verwonderlijk, want ze dacht zelden over iets na. Jef de Facteur trok partij voor de oude wijze mensen. Hij was bij hen immers redelijk populair, zoals dat elders in het diepe Vlaanderen doorgaans het geval is met postbodes. De kabouters zeiden niet veel. Voor hen was het vooral belangrijk dat er geen bomen zouden sneuvelen voor het nieuwe honk.
De burgervader werd dus niet wijzer na het overleg met zijn vrienden en zijn conclusie was dat hij het zoals altijd zelf kon gaan oplossen. En omdat hij geen schrik had van morrend volk, besloot hij de buurt samen te roepen, zodat hij het plan kon uitleggen en verdedigen.
Enkele dagen later stroomden de buurtbewoners op een zachte nazomeravond dan ook samen in het afgeleefde honk. De oude wijze mensen zaten wat ongemakkelijk samen vooraan in de zaal, terwijl achteraan de buurt zich verdrong, om niets van het spektakel te kunnen zien. Vooraan had de burgervader postgevat, geflankeerd door zijn vrienden. Men had hem een microfoon in zijn handen gestopt, zodat hij zich verstaanbaar zou kunnen maken tussen zoveel volk.
“Fwiet…. Beste mederundtenaars, …. vanavond samengekomen om u wat informatie …. Fwieeet … nieuwe honk van de oude wijze mensen …. mooi nieuw gebouw … “ . Het klonk niet allemaal even duidelijk, maar dat lag aan de microfoon, die nog aftandser was dan de rest van het honk Achteraan in de zaal werd steed luider gemompeld en gekucht en een onverlaat riep zelfs “Boeeee, zeepsmoel”. Gevolgd door schuchter applaus van andere onverlaten die zich wijselijk niet lieten zien, maar waarvan kon worden vermoed dat ze waren opgestookt door de vrienden van van Rattepaart. De freule zelf stond zo onopvallend mogelijk tussen het volk enig gegniffel te onderdukken.
Iemand anders riep “de micro doet het niet”. Maar dat was een overbodige opmerking, want iedereen had dat al door.
De burgervader kroop ten einde raad op een nogal wankel tafeltje, zodat men hem beter kon zien en hopelijk ook verstaan. Luid roepend verkondigde hij dat het niet zijn bedoeling was dat iedereen kwaad op hem zou worden. Misschien konden de plannen nog eens bekeken worden. “Ik verzeker u” riep hij nog uit “ik heb u begrepen!”. Die uitroep deed de hele zaal in juichen uitbarsten. Men begon spontaan rondedansjes te maken. En door het tumult zakte de burgervader met tafel en al door de vloer.
Nadat de burgervader de schade aan zijn immer smetteloos kostuum had gemonsterd, werd de avond op passende diepvlaamse wijze afgesloten, met veel donker en blond abdijbier. Heel wat aanwezigen kwamen die nacht dan ook pas laat terug thuis.
7. De stemmetjeswedstrijd in het jaar van de hete en natte zomer
De dreiging over de Laatste Keer en de ruzie rond het oudewijzemensenhonk maakten duidelijk dat het in Rundt niet meer allemaal peis en vree was. Bij overmaat van ramp kondigden zich in die vertroebelde sfeer ook de zesjarige stemmetjeswedstrijd aan.
Die stemmetjeswedstrijd werd om de zoveel jaar telkens bij het begin van de herfst overal te lande in het diepe Vlaanderen georganiseerd. Wie de wedstrijd won mocht het dorp met zijn vrienden besturen tot aan de volgende stemmetjeswedstrijd.
De stemmetjeswedstrijd gaat om wie zich het mooiste kan opdirken en de beste verhalen kan verzinnen over wat er in het dorp de volgende jaren zal gebeuren. De deelnemers kleden zich dan ook altijd op hun paasbest, laten overal mooie afbeeldingen van zichzelf aanbrengen in tuintjes en koeieweiden, op schuurdeuren en rondrijdende karren. Ze schrijven sprookjes over later, die ze aan de mensen gaan vertellen of die ze in mooie drukwerken ongevraagd in brievenbussen en onder voordeuren gaan steken. De mensen mogen dan kiezen wie ze het mooist opgedirkt vinden of in welke sprookjes ze het hardste geloven.
De vorige stemmetjeswedstrijd had de burgervader met zijn vrienden gewonnen van de vrienden en vriendinnen van freule van Rattepaart, die toen nog niet kon rekenen op de hulp van de nijvere en snuggere Nicolien Heertjes. De groene kabouters hadden ook meegedaan, maar alleen maar voor hun eigen kaboutersoort en om ook de stem van de bomen en de dieren te laten horen. Omdat ze weinig kwaad konden en om de hoop een beetje te vergroten (voor zover dat met kabouters mogelijk is) mochten ze achteraf van de burgervader dus ook meedoen met het bestuur. Maar dan alleen voor wat de bomen en de dieren betreft. Ze hadden ook hun zeg over de dorpstraten en veldwegen in Rundt, omdat daar nu eenmaal ook veel dieren over lopen en het belangrijk is dat die niet door karren worden overreden.
Dat ging een paar jaar goed, alhoewel er soms wat moeilijkheden waren met Jef De Facteur. Die moest altijd een beetje in toom worden gehouden. Kruidendoktoor Jannemans deed tijdens de bijeenkomsten van het bestuur altijd iets van een kalmerend kruid in de koffie van Jef, zonder dat die het merkte. Jef was dan ook meestal zelf heel verbaasd dat hij zich tijdens die bijeenkomst zo kalm had weten houden. Hij begreep zichzelf niet. Maar de rustgevende werking van het geheime kruid van Jannemans begon in de loop der jaren toch aan uitwerking te verliezen, zodat De Facteur steeds onhandelbaarder werd. En dat stak ook de anderen aan. De bijeenkomsten verliepen dus niet meer zo rustig. Alleen de kabouters hielden zich buiten het gewoel. Het zou overigens niet erg opgevallen zijn als ze zich af en toe kwaad zouden hebben gemaakt.
In elk geval de stemmetjeswedstrijd in het jaar van de hete en natte zomer diende zich aan in een klimaat van onrust.
Nadat iedereen was opgeroepen om deel te nemen, kon de hoofdschrijver van Rundt bekend maken dat er vijf clubjes aan de stemmetjeswedstrijd zouden deelnemen.
Er was natuurlijk de club van de burgervader, die met zijn zelfverzekerde zelf kon uitpakken. Het had wat voeten in de aarde, maar ook Jef De Facteur mocht nog meedoen, omdat hij dacht graag gezien te zijn, maar dan vooral waar men hem alleen maar van horen zeggen kende. Sonja De Popster zag het ook wel zitten, vooral omdat ze er opgedirkt nogal goed uitzag, wat mooi presenteerde op de afbeeldingen in de koeieweiden. Een grote verrassing was dat ook Rollebol bij de club werd ingelijfd. Tegen iedereen die het horen wilde vertelde die dat hij opperbouwmeester van Rundt wilde worden, omdat hij nu toch al ervaring had opgedaan.
Freule van Rattepaart zon op wraak omdat ze de vorige keer uit de boot was gevallen, maar het was vooral Nicolien Heertjes die het hoge woord in haar club voerde. Zoals vanouds hadden beiden gezocht naar mensen die iedereen kent, maar waarvan men voor de rest niet kon weten wat ze werkelijk dachten. Dat kon je in hun sprookjes lezen, waarin het tegelijkertijd warm en koud was of nat en droog en omgekeerd. Ook het opdirken lukte niet zo best. Daarom dat de afbeeldingen, die ze op elke straathoek lieten plaatsen niet in kleur waren, maar eerder grijs en onopvallend.
Kleur was er dan wel bij grote kabouterclub, vooral dan groen, rood en paars, want het was een verzameling van groene, rode en paarse kabouters. Maar hun kleurige afbeeldingen waren dan weer heel klein. Je kon ze bijna niet zien hangen, behalve natuurlijk als je zelf een kabouter was, want in dat geval hingen ze ongeveer op ooghoogte. Het opdirken lukte al helemaal niet. Van een pak hadden ze immers nooit gehoord en ook de meisjeskabouters droegen meestal kleren die hun grootmoeder-kabouters nog hadden gedragen. Maar zoals het kabouters past konden ze natuurlijk wel heel goed sprookjes vertellen. Iedereen luisterde daar graag naar, maar er waren weinig mensen die daarin geloofden. De kabouters zelf geloofden hun sprookjes wel voor de volle honderd pond.
Er was ook nog een klein clubje van Hele Diepe Vlamingen. Allemaal mensen die tranen in de ogen kregen als ze over hun Diepe Vlaanderen vertelden. Ze zongen ook voortdurend het Diepvlaamse poezenlied, dat meestal weerklinkt als er ergens een of ander Diepvlaams feestje wordt gegeven. Iedereen vond die Hele Diepe Vlamingen club een beetje schattig, maar voor de rest niet zo interessant.
Zoals te verwachten was presenteerde ook de sinistere club van het Zwart Behang zich aan de wedstrijd. Renaat De Bulder was het aan zichzelf verplicht om mee te doen. Als er kabouters meededen, dan konden de trollen niet achterblijven. Kabouters en trollen, dat is al van in de vroegste geschiedenis van het diepe Vlaanderen als water en vuur. Maar zoals altijd zat het Zwart Behang met een probleem. De andere clubjes moesten niet van hen weten. Bovendien stond het niet goed als je liet merken dat je wel eens op hen zou willen stemmen bij de stemmetjeswedstrijd.
Maar wat de andere clubjes niet wisten was dat Renaat en zijn trollen vast van plan waren vals te spelen, in de hoop veel stemmetjes te winnen. Dat ging zo. De oppertrollen van de grote raad van het Zwart Behang hadden de hulp ingeroepen van de heks Belladonna Mortel. Die was er bijgehaald om tovertruukjes te fabriceren, die de geesten en de harten van de mensen moesten veroveren. Uit haar zwarte magieboek toverde Belladonna het recept voor de Fluit met Valse Tonen tevoorschijn. Dat was een gewoon fluitje, gedrenkt in een aftreksel van jokkebrokkekruid en ruziewortel. Je moest er maar eender welke toon op blazen en iedereen die het zou horen, zou zijn hart en geest aan het Zwart Behang verpanden. Maar omdat ook zwarte magie zijn zwakke kanten heeft, werkte de Fluit met Valse Tonen alleen als er ook valse tonen uitkwamen. De magie zou uitgewerkt zijn als iemand zou proberen er een melodieus liedje op te spelen.
Op een maanloze avond werd Renaat door zijn medetrollen naar het kasteel van Belladonna gestuurd om een Fluit met Valse Tonen te bemachtigen. Hij kroop in zijn karretje en reed langs donkere kronkelwegen naar een dorp in de buurt van waterstad, waar Belladonna nog niet zo lang geleden haar kasteel had laten bouwen, zonder te vragen of dat daar wel mocht.
Aan de kasteelpoort gekomen belde hij aan. De bel klonk vals maar luid. Op de achtergrond zag hij grote karren staan en in de verte een hel verlicht zwembad, waarrond heel wat fijngekleed volk stond te lachen en te dansen. Hij kon nog net zien dat er lange tafels gevuld met heerlijkheden en fonkelwijn stonden opgesteld. Het water kwam hem in de mond en hij hoopte ook uitgenodigd te worden. Er kwam een dienstbodetrol naar de poort, maar die liet hem tot zijn grote verdriet niet binnen. Renaat vertelde waarvoor hij gekomen was. De dienstbodetrol knikte en zei tegen hem dat hij aan de poort hij moest wachten.
Even later verscheen Belladonna zelf. Ze droeg een lang zwart kleed, versierd met donker edelstenen, zoals het een gastvrouw op een feest met fijngekleed volk past.
“Omdat je een trouw lid van het Zwart Behang bent, krijgt je een Fluit met Valse Tonen, die je mag gebruiken voor de volgende stemmetjeswedstrijd. Fluit zo vals je kan, maar waag het niet om ooit maar één keer een melodie te spelen. Want dan is de magie uitgewerkt en is het goed mogelijk dat ook alle andere Fluiten het niet meer zullen doen. Als we ooit moesten te weten komen dat je een melodie zou hebben gespeeld, dan zal de toorn van de oppertrollen over je heen komen.” Ze voegde er nog dreigend aan toe :”je weet wat dat betekent!”.
Renaat wist het niet, maar had zo wel een vermoeden.
In elk geval reed hij tevreden met zijn kleinood in zijn gewone karretje terug naar Rundt.. Alhoewel hij als gewone aardtrol niet binnen had gemogen, was hij toch onder de indruk van het kasteel van Belladonna en van het fijngekleed volk met hun grote karren dat daar aan het feesten was.
Voor hem kon de grote strijd beginnen.
Hoe gaat de stemmetjeswedstrijd aflopen? Wint de burgervarder of van Rattepaart? Wat kunnen de kabouters betekenen? En vooral, zal het vals spelen van Renaat De Bulder de sfeer in Rundt voor altijd vertroebelen?


0 Comments:
Post a Comment
<< Home